Viaduct

ArendJan Pieterszoon was een man met een een prachtige, volle glimlach. Zijn tanden waren wit en helder en straalden je van harte tegemoet door de liggende halve maan die zijn lippen vormden, krachtig en hartverwarmend. ArendJan Pieterszoon liep de hele dag over straat met deze glimlach, daar hij merkte dat het een gunstige uitwerking had op de mensen die hij tegenkwam en die hij sprak.

Vandaag waren er echter maar weinigen die zich aan zijn glimlach konden vergapen, hoewel die niets aan kracht had ingeboet. Vanochtend was JanPieter ergens onder een viaduct gewandeld, met de kennelijke bedoeling er aan de andere kant er weer onderuit te wandelen. Dit laatste was tot op heden echter niet gelukt. Het viaduct was breed en leek steeds breder te worden. Bij elke stap die hij zette breidde het ruwe beton zich verder om hem heen uit, haast ongemerkt, verborgen door het geraas van auto’s over de weg boven hem en de koude tocht die stinkende benzinedampen in zijn gezicht blies. De opening aan het andere eind was zichtbaar, maar bleef steeds op even grote afstand van hem in de lucht hangen, als het einde van een regenboog.

PieterArend Janszoon liep wat verlaten rond onder het grijze dek, maar hij was toch niet de enige hier. Er waren verscheidene anderen. Een klein meisje kwam hem tegemoet, dat hem niet opmerkte en star voortwandeldelde in een rechte lijn, de blik strak op de einder gericht. Een andere man zag hem wel en probeerde een gesprek met hem aan te knopen. PieterArend kon er geen wijs uit worden, hoe breed hij ook glimlachte. De andere man probeerde zijn lach te beantwoorden, maar kwam niet verder dan een grimas. Zijn woorden verdronken in het lawaai. Door de blik in zijn ogen vermoedde PieterArend dat ook zonder het razende verkeer het een onsamenhangend verhaal zou zijn, vol familie-ellende en zakelijk ongeluk.

Een derde voorbijganger werd gekenmerkt door een woeste baardgroei en een ongewassen voorkomen. Hij droeg een afgedragen pak, dat toen het nieuw was waarschijnlijk aan een hoge ambtenaar had toebehoord. Deze man wenkte en ArendJan Pieterszoon liep op hem toe. De baardmans gebaarde als zou hij wel de weg weten en het kostte de ArendJan geen moeite om te stralen bij het vooruitzicht weer het daglicht te kunnen zien. Maar eenmaal voor hem maakte de man een onverwachte beweging. Met een snelle veeg van zijn vuile wijsvinger streek hij over de tanden van ArendJan, zodat ze dof werden. “Daar zou u maar last mee gekregen hebben,” verklaarde hij.

Daarna begon hij omstandig de loop van de verschillende wegen om hen heen uit te leggen, alsmede de tijden waarop ze wegens drukte beter vermeden konden worden. Dit duurde uren en allerhande aanwijzingen en omstandigheden passeerden de revue. Toen hij eindelijk klaar was knikte de bebaarde man. Met een geroutineerd, gemaakt glimlachje stuurde hij ArendJan zonder verdere omhaal dieper de tunnel in.